In de vissenkom – grenzen

Foto door kabita Darlami op Pexels.com

Voor wie zich afvraagt hoe het met de vissen gaat: ze zien er maar minnetjes uit. Heel minnetjes. Ze hangen veelal lusteloos in het water en maken weinig contact. Een burn-out kan het niet zijn. Dan ben je opgebrand. En opgebrand zijn in water lijkt me sterk. Ik houd het erop dat ze zich gewoon wat neerslachtig voelen en hoop alleen maar dat het niet erger wordt. Want via hun baasjes horen en zien de vissen veel, misschien zelfs te veel. Ze zullen ook al wel tot de conclusie zijn gekomen dat zowat iedereen in hun omgeving spartelt. Daar nog mijn verslaggeving over de beurs, over AI, een paar autoritaire heersers en een narcistische bovenop – er zijn grenzen aan het incasseringsvermogen, zelfs aan die van een vis. 

De vissen verslikken zich ook regelmatig. Bij het horen van sommige berichten, zeker bij het horen van bepaalde namen, happen ze nogal eens naar adem en in hun leefomgeving leidt dat tot ronduit meelijwekkende toestanden. Ze beginnen te hikken, krommen hun rugjes en krijgen uitpuilende ogen. Hoog tijd dat ik ophoud met de ochtendlijke krantvoorleesmomenten en mijn avondlijke babbels. Het zal beter zijn voor hen en voor mij. 

Voor wie zich afvraagt hoe het met mijn man gaat, heb ik beter nieuws. Hij stelt het uitstekend. Hij werkt ijverig in zijn tuin en de wijngaard en haalt daar veel voldoening uit.Tegenwoordig waagt hij zich ook wel eens aan een boek. Hij kan daar helemaal in opgaan, of het nu fictie is of non-fictie. Dat was tot aan zijn pensioen ongezien. Tussen ons gezegd en gezwegen: ik vind dat het wel iets heeft, een lezende man. Het aangename voor hem is dat ik dan niet vraag waaraan hij denkt. Het aangename voor mij is dat ik dan wel kan vermoeden waaraan hij denkt. Omdat ik hem het boek heb aangeraden en weet wat daarin staat. 

Het huidige boek heet Het beste kan nog komen. Pas op: niet het beste móet nog komen – dat klinkt alsof er nog nooit iets moois is geweest en dat is niet zo. Het boek wordt beschreven als “een uitnodiging tot een frisse, positieve blik op ouder worden.” Kort samengevat komt het erop neer dat de ouder wordende mens moet leren zijn subjectieve verwachtingen aan te passen aan zijn objectieve mogelijkheden. Met een ouder wordend lichaam moeten we niet verwachten nog een marathon te kunnen lopen en dan teleurgesteld zijn wanneer dat niet meer gaat. Een stevige wandeling is ook goed. Ook bij cognitieve achteruitgang komt het eropaan niet meer van jezelf te verwachten dat je verder kunt blijven functioneren zoals vroeger.

Voor mijn man passen de raadgevingen volledig bij zijn eigen ingesteldheid. Van alles een beetje, geen grenzen overschrijden, noch geestelijk, noch lichamelijk. Nu alleen nog achterhalen hoe lang een “stevige” wandeling is voor een vijfenzestigplusser. Vijf kilometer, vijftien of veertig? Waar ligt de grens?

Reageren? Graag!

INGRID VANDERKRIEKEN